De lucht in Maun ruikt naar rook, droge aarde en iets dat vervelend doet denken aan oude vis, hoewel de dichtstbijzijnde rivier kilometers ver ligt. Het is eind oktober, het einde van het droge seizoen, en de hitte liegt als een zware deken over de stad. Ik sta op de markt bij de vieux centrum, omringd door stapels tomaten, zakken meelmeel en vrouwen die met hun handen gestapelde torentjes aardappelen aanprezen. Mijn doel is klein, onopvallend en voor velen ongenietbaar: een zakje phane.
De rups die een natie voedt
Phane, de larve van de keizermot (Gonimbrasia belina), is geen snackbar-snack. Het is een eiwitbom die seizoensgewijs geoogst wordt in de mopane-bossen van noordelijk en oostelijk Botswana. Elke jaar, na de eerste regens, kruipen de rupsen massaal de bomen op. Plukkers – vaak vrouwen en kinderen – klimmen in de takken of slaan de boomstammen met stokken om de prik-kelderige prooien te vallen. Wat volgt is een ritueel dat generaties ongewijzigd is gebleven: de darm wordt uitgeknijpt, de rupsen gekookt in gezouten water, en daarna in de felle Kalahari-zon gedroogd tot knapperige, houtachtige stokjes die maanden houdbaar zijn.
Op de markt liggen ze in grote zakken als gedroogde vis: donkerbruin, geribbeld, met nog steeds de vorm van hun laatste levensdagen. De verkoper, een vrouw met een doek om haar hoofd en handen die getuigen van decennia zwaar werk, weegt er een half kilo af in een stukje krantenpapier. "Vers van de week," zegt ze in Setswana, en lacht toen ik mijn portemonnee zoek. "Goed voor de kracht."
Bereiding in een verhuurde keuken
Mijn appartement in Maun is functioneel: een gasfornuis, een koelkast die soms buzzend stilvalt, en een keukenwerkblad dat al betere dagen heeft gezien. Ik heb geen ervaring met het koken van insecten, maar het recept is eenvoudig genoeg. Eerst weken in warm water, twintig minuten lang, tot ze weer vol en zacht zijn. Daarna bakken in een scheut olie met uitjes, tomaten en een knoflook die ik de avond daarvoor op de markt had gekocht. Peper, zout, een snuf kurkuma.
Terwijl de uitjes glazig worden, gooi ik de gehydrateerde phane in de pan. Ze kreunen niet, ze spetteren niet. Ze liggen er, hun segmenten licht openklappend, de geur van gerookte aarde en nootjes vullend de keuken. Na tien minuten zijn ze knapperig aan de randen, zacht binnenin. Ik schep er een portie op een bord, naast een berg pap – de stijve meelmeelpap die de basis is van elke Botswaanse maaltijd – en een scheut morogo, gestoofde pompoenbladeren met pindapasta.
De eerste hap
De tekstuur is wat je niet verwacht. Niet slimerig, niet kauwend als kalfsvlees, maar meer als een dikke, gedroogde garnaal met een kern van zachtheid. De smaak is diep, aards, met een vage nootachtige toon die doordringt door de tomatensaus. Het is niet wreed, niet angstaanjagend. Het is gewoon... voedsel. Goed voedsel.
Mijn buurman, Tebogo, een ingenieur die in Gaborone werkt maar zijn weekends in Maun doorbrengt, had me gewaarschuwd: "Als je kauwt, denk dan niet aan wat het is. Denk aan de smaak." Ik volg zijn raad. De tweede hap gaat makkelijker. De derde met een stukje pap, gedopt in de saus. De combinatie van de zoute, knapperige rups en de neutrale, warmtegevende pap is een balans die eeuwen oud is. Ik begrijp waarom phane een levenslijn is in een land waar vlees duur en soms schaars kan zijn. Een zakje van twintig Pula – ruim een euro – levert meer eiwit op dan een stuk rundvlees van tien keer de prijs.
Meer dan overlevingsvoedsel
Later die avond, bij een brandvuur buiten de stad, vertelt Tebogo me over de oogst. Hoe zijn ouders hem als jongen meenamen naar de mopane-bossen, hoe ze tenten opsloegen en weken lang plukten, kookten, droogden. Hoe de opbrengst schoolgeld betaalde, een nieuw dak kocht, de familie voedde door het droge seizoen heen. "Het is geen armemannensvoedsel," zegt hij, terwijl hij een biltong-stukje afbeet. "Het is onze voedsel. Onze geschiedenis."
In Gaborone, dertighonderd kilometer ten zuiden, vind je phane in supermarkten tussen de biltong en de droëwors. Verpakt in plastic, gemarkeerd met expiratiedata. Maar hier in Maun, aan de rand van de Okavango-delta, is het nog een levend handelswaar. Vrouwelijke handelaren zitten op de grond met hun zakken open, de rupsen afmetend in bekers die ooit voor maïs diensten. Kinderen rennen met zakjes phane en pap in hun handen, vingers vettig van de saus. Het is een economie, een cultuur, een identiteit.
De terugreis
De volgende ochtend, vlak voordat mijn vlucht vertrekt vanaf de kleine luchthaven van Maun, koop ik nog een zakje gedroogde phane bij een kraampje bij de uitgang. De verkoper knikt toegevend. "Voor de weg," zegt hij. In het vliegtuig, op Giulikruishoogte, pak ik er een uit mijn tas. De passagier naast mij – een toerist met een grote camera en een gids over de Big Five – kijkt verbazing. Ik bied hem er een aan. Hij aarzelt, neemt er een, kauwt, knikt langzaam. "Niet slecht," mompelt hij. "Smokt naar... naar huis."
Misschien is dat het geheime van phane. Niet de rups, niet de bereiding, maar wat het vertegenwoordigt: een volk dat leeft van wat de grond geeft, dat niets verspilt, dat smaak vindt in wat anderen wegwerpen. Terwijl het vliegtuig opstijgt en de mopane-bossen zich uitspreiden als een bruine zee tot aan de horizon, voel ik de zoute, aardse nasmaak op mijn vingers. Ik zal phane missen. En de markt van Maun. En de eenvoud van een maaltijd die je verbindt met een heel continent.
Dit is slechts één episode uit een veel langer verhaal. Lees het volledige verhaal over expat-leven in Botswana in “Verhuizen naar Botswana” door Alex Bugeja op MixCache.com.
Please log in or create an account to leave a comment.
No comments yet. Be the first to say something.